Leer in 12 kaarten hoe klank-tekenkennis, nauwkeurig decoderen en oefening leiden tot automatische woordherkenning. Met orthografische mapping, lezen en spellen, transfer en gerichte feedback. Elk antwoord telt maximaal 200 tekens.
Bij decoderen zet je letters om in klanken en voeg je die samen. Bij automatische woordherkenning lees je een bekend woord direct, zonder elke koppeling bewust langs te gaan.
Je verbindt de spelling van een woord met de klanken en betekenis in je geheugen. Daardoor kun je dat woord later direct herkennen. Het gaat om verbindingen, niet om een foto van het woord.
Losse spraakklanken kunnen onderscheiden en letters aan klanken kunnen koppelen. Daarmee kan een kind de spelling van een woord verbinden aan de uitspraak.
Door alle letters aan de juiste klanken te verbinden, leert het kind de precieze spelling en uitspraak samen kennen. Raden op de eerste letter levert die verbinding onvoldoende op.
Spelling, uitspraak en betekenis worden verbonden in het geheugen. Lees het woord dus nauwkeurig en bespreek de betekenis als die onbekend is. Zo krijgt het woord een rijkere verbinding.
Los oefenen richt aandacht op de woordaanpak. In zinnen en teksten leert het kind die aanpak toepassen tijdens echt lezen. Beide bieden kansen voor herhaling en feedback.
Laat het kind een woord lezen, in klanken verdelen en met letters opbouwen of schrijven. Bespreek welke letters bij elke klank horen. Zo oefent het dezelfde koppelingen in beide richtingen.
Oefen de woorden in verschillende zinnen en teksten. Luister of de herkenning daar ook lukt en geef hulp. Vlot lezen van één geoefende rij toont nog geen brede beheersing.
Verbind de regelmatige delen aan hun klanken en leg het afwijkende deel uit. Laat het woord lezen en schrijven en herhaal het in zinnen. Alleen het woordbeeld laten bekijken is onvoldoende.
Ja. Ook een vlotte lezer ontmoet onbekende of ingewikkelde woorden. Dan zijn klank-tekenkennis en het herkennen van woorddelen nodig om het woord te ontsleutelen.
Laat het kind alle letters bekijken, vooral de laatste. Help het woord opnieuw decoderen en laat de zin herlezen. Oefen daarna vergelijkbare woorden met aandacht voor de verschillende eindletters.
Het kind leest woorden nauwkeurig en met minder moeite in verschillende teksten. Kijk ook naar nieuwe woorden met bekende patronen. Alleen meer woorden per minuut zegt onvoldoende.