9A ยท Uitgewerkt: 15 kaartjes. Basisniveau, ongeveer 9 jaar. Leeronderwerpen: Plaats, tijd en omstandigheden; tekstaanwijzingen, sfeer, weer, leefomstandigheden en verhaalwereld; invloed op gebeurtenissen.
Waar de gebeurtenissen zich afspelen, zoals een bos, huis, stad of verzonnen planeet. Er kunnen meerdere plaatsen zijn.
Wanneer het gebeurt, zoals vroeger, nu of in de toekomst. Ook seizoen, dagdeel of jaartal kan belangrijk zijn.
De situatie waarin personages leven of handelen, zoals storm, oorlog, armoede, ziekte of een feest.
Zoek aanwijzingen in gebouwen, geluiden, natuur of handelingen. Vertel wat je zeker weet en wat je vermoedt.
Op het water, waarschijnlijk bij zee. De boot, golven en meeuwen zijn aanwijzingen; de precieze plek weten we niet.
Het zijn aanwijzingen, maar geen bewijs. Kaarsen en koetsen bestaan ook nu. Zoek meer informatie over de tijd.
De tijd is het jaar 2120, dus de toekomst vanuit nu. De plaats is Mars, in deze verzonnen verhaalwereld.
Let op woorden als โdageraadโ, โmiddernachtโ of โherfstโ. Ook donkerte en vallende bladeren kunnen aanwijzingen zijn.
โIn de winterโ zegt wanneer. โDrie dagenโ zegt hoelang de gebeurtenissen duren. Zoek voor beide aparte aanwijzingen.
Ja. In een fantasieverhaal kan een school op een wolk staan. Beschrijf de verhaalwereld zoals de tekst die laat zien.
Op een onbewoond eiland is hulp misschien ver weg. De plek kan kansen geven of een probleem moeilijker maken.
De sneeuw belemmert de reis. Het weer heeft hier een gevolg voor wat de dokter en de dorpelingen kunnen doen.
Woorden over een lege, donkere straat kunnen iets dreigends oproepen. Wijs aan welke details dat in de tekst doen.
Nee. Een plaats is waar het gebeurt; sfeer is de indruk of het gevoel dat wordt opgeroepen. Hetzelfde huis kan gezellig of eng lijken.
Noem waar, wanneer en onder welke omstandigheden het speelt. Geef aanwijzingen en leg uit wat de omgeving voor het verhaal doet.