9A Β· Uitgewerkt: 15 kaartjes. Basisniveau, ongeveer 9 jaar. Leeronderwerpen: Hoofd- en bijfiguren, helpers en tegenspelers; karaktereigenschappen afleiden uit woorden en gedrag; veranderende rollen en eigenschappen.
Een figuur in een verhaal, zoals een mens, dier of verzonnen wezen. Een personage denkt of handelt binnen het verhaal.
Een hoofdfiguur volgen we vooral. Een bijfiguur speelt een kleinere rol, maar kan wel belangrijk zijn voor wat er gebeurt.
Nee. Kijk om wie het verhaal vooral draait en wiens wens of probleem we volgen.
Een personage dat de hoofdpersoon helpt een doel te bereiken of een probleem op te lossen.
Een personage dat de hoofdpersoon tegenwerkt of diens doel in de weg staat. Die hoeft niet in alles slecht te zijn.
Amir is een helper: de zaklamp helpt Lina bij haar zoektocht. In dit stukje volgen we vooral Lina.
Hij belemmert haar zoektocht. Misschien volgt hij alleen een regel; tegenwerken betekent niet automatisch gemeen zijn.
Een kenmerk van hoe iemand meestal denkt of handelt, zoals behulpzaam, nieuwsgierig of koppig.
Nee. Dat beschrijft het uiterlijk. βNieuwsgierigβ beschrijft bijvoorbeeld hoe iemand zich vaak gedraagt.
Noem gedrag, gedachten of woorden uit de tekst. Leg uit waarom die bij de eigenschap passen.
Vrijgevig of behulpzaam. Haar delen is een aanwijzing. Andere woorden mogen ook als je ze goed uitlegt.
Nee. Iemand kan even bang zijn in een gevaarlijke situatie. Kijk naar meer momenten voordat je een vast kenmerk noemt.
Ja. Door een andere wens of keuze kan de rol veranderen. Vertel welke gebeurtenis dat laat zien.
Ja. Iemand kan twijfelen en toch iets moeilijks doen. Personages kunnen meerdere eigenschappen hebben.
Noem diens rol, wens en een eigenschap. Onderbouw met een actie of uitspraak en vertel of je verandering ziet.